Het IPOS-model


Bron afbeelding: Kris Merckx - www.ardeco.be

Hello <digital/> World

Copyright: Kris Merckx 2015

Dit boek start met deel 0. In programmeertalen is het eerste element in een reeks objecten nooit gewoon 1, maar element 0. In menselijke taal zouden we dit deel de inleiding noemen, maar toch is het belangrijk dat je net deze inleiding even leest. Hiernaast zie je een afbeelding, een soort cirkel, een voorstelling van het IPOS-model waarover je meteen meer leest.

In dit boek probeer ik je digitale systemen beter te leren begrijpen. Je leert meer over hun werking, over hun mogelijkheden en beperkingen en over de uitdagingen voor de toekomst. Je zal interactief leren door te doen en te ervaren.

0.1 Het IPOS-model

Wat is een computersysteem eigenlijk en hoe werkt het? Nee, we gaan niet uitleggen wat een harde schijf is en waarvoor RAM-geheugen dient... dat weet je ondertussen ook al wel. Maar we gaan even een heel klein beetje de filosofische tour op. Als je alle computersystemen op een hoop gooit, wat hebben ze dan gemeenschappelijk?

Meestal komt dan het zogenaamde IPOS-model om de hoek kijken: Input – Processing – Output – Storage.

1. Onder input verstaan we alle soorten informatie die je in zo'n toestel propt: tekst, foto's, film, muziek... Hiervoor heb je een reeks invoerapparaten nodig: een toetsenbord, een webcam, een USB-kabel, een SD-kaart, een scanner, muis, microfoon of zelfs gewoon een andere computer. Een computersysteem kan ook zelf op zoek gaan naar invoerdata, zoals dat bij BIG DATA wel eens gebeurt.

2. Het toestel zal met die informatie iets gaan doen. In een aantal gevallen vind er een conversieslag plaats, een vertaling van analoge informatie naar digitale informatie (hier leer je nog over). Die verwerking of “processing” kan gebeuren tijdens de invoer of achteraf als de computergebruiker die input wil bewerken. Als je een tekst intikt in een tekstverwerker gebeurt de input en verwerking simultaan. Wanneer je een foto bewerkt in een beeldbewerkingsprogramma, dan gebeurt de verwerking meestal achteraf.

3. Om dit mogelijk te maken moet het computersysteem ook in staat zijn de ingevoerde data te bewaren (storage).

4. Een computersysteem zal de gebruiker feedback geven. Dat kan in realtime door bijvoorbeeld te zeggen dat er iets fout is gegaan, door een bevestiging te vragen enz. Een programma kan ook feedback geven aan zichzelf: als dit gebeurt, dan doe ik dat, in het andere geval... In zo'n geval spreken we van “open loop”-feedback. Wanneer de gebruiker op één of andere manier moet bevestigen of iets doen, dan spreken we van “closed loop”-feedback.

5. Maar de bedoeling is meestal dat de computer toont wat het resultaat van die bewerking is. In veel gevallen ziet de gebruiker het resultaat meteen op een scherm. Je ziet meteen het eindresultaat: what you see, is what you get (WYSIWYG). Ook nadien kan je de bewaarde en verwerkte data nog “bekijken” door het bestand te openen, af te drukken, te posten op een website enz. Inderdaad, dat is wat we met output bedoelen.


Bron: http://www.bbc.co.uk/schools/gcsebitesize/design/resistantmaterials/processystemsrev1.shtml

0.2 Hoe werkt onze “computer”?

In wezen is een computersysteem voor een deel gebouwd naar hoe we onze “eigen” werking als mens zien. Je ondergaat heel wat “invloeden” van je omgeving, van het weer tot die giftige sneer van een opmerking die de docent je gaf tijdens de les omdat je even niet aan het opletten was. Je hoort, ziet, proeft, voelt... en je registreert (INPUT via ondermeer “sensoren”), je selecteert waar je mee bezig wil zijn (je favoriete APPS) of moet zijn (standaard PROCESSEN), je verwerkt het (soms krijg je het niet verwerkt en CRASH je letterlijk). Je zegt soms dat het allemaal een beetje te veel is of dat je geen twee dingen tegelijk kan (te weinig RAM-geheugen, MULTITASKING). Je onthoudt ook zaken, dat kan gaan over pure herinneringen aan gebeurtenissen in je leven, verplichte leerstof, ervaringen (kortom FILES en FOLDERS). Sommige dingen heb je niet geleerd, je doet ze automatisch zoals bijvoorbeeld ademen (BIOS, OPERATING SYSTEM). Maar je leert ook dingen doen: je kan fietsen, koffie maken, schrijven (PROGRAMMA's, SOFTWARE, APPS). En uiteindelijk geef ook jij feedback: je kan boos zijn om wat men je aandoet of net heel blij of gelukkig (FEEDBACK). Of je kan een alarminstallatie installeren omdat er werd ingebroken (FEEDBACK = nieuwe SOFTWARE). Je gaat naar school om nieuwe dingen te leren doen (APPS) om later werk te vinden (PROCESSING).

Uiteraard stemt dit niet overeen met de werkelijkheid van wat het is om een mens te zijn. Een mens is geen computer en herinneringen werken volledig anders dan "files". Het helpt enkel om de werking van een systeem beter te vatten. 


Volgend hoofdstuk